- Noord-Koerdistan
4 mei markeert het begin van de bloedbaden onder de Alevitisch-Koerdische bevolking in Dersim in de jaren 1937 en 1938. Overlevenden en nakomelingen noemen deze dag „Tertele“ – de dag waarop „de wereld ten onder ging“ – of „Roza Şaye“, de zwarte dag. Volgens schattingen werden tussen de 70.000 en 80.000 mensen gedood, tienduizenden anderen werden naar andere delen van het land gedeporteerd. Het gaat om een van de grootste geweldsmisdrijven in de geschiedenis van Turkije na de genocide op de Armeniërs. Deze misdaden werden mede mogelijk gemaakt door het stilzwijgen van de internationale publieke opinie.
Beleid van homogenisering
De achtergrond van de gebeurtenissen was het beleid van de regering onder Mustafa Kemal Atatürk, dat gericht was op het creëren van een homogeen staatsvolk. Het daarmee gepaard gaande beleid van turkificatie en islamisering was specifiek gericht tegen niet-Turkse en niet-soennitische bevolkingsgroepen.
Met de „kolonisatiewet“ (İskan Kanunu) van 1934 moesten grotere bevolkingsgroepen gedwongen worden verplaatst en ontbonden. Dersim was het eerste gebied waar dit beleid op grote schaal moest worden uitgevoerd. Door zijn geografische ligging had de regio lange tijd een de facto autonome status behouden en werd het gekenmerkt door een verscheidenheid aan etnische en religieuze groepen.
In een toespraak voor het parlement in 1936 noemde Atatürk de regio een ‘probleem’ dat ‘tegen elke prijs’ moest worden opgelost. Deze retoriek maakte de weg vrij voor de door de staat georganiseerde vernietigingscampagne tegen Dersim.

Seyîd Riza en zijn zoon Resik Ûşen op weg naar de rechtbank | Foto: Dersim 1937-38 Oral History Project
Militarisering en verzet
In de aanloop naar het offensief werden lokale politieke, tribale en religieuze structuren systematisch ontmanteld, werd land onteigend en werd de regio omgedoopt tot „Tunceli“ („ijzeren hand“). Een militair bestuur kreeg verregaande bevoegdheden, waaronder arrestaties en deportaties.
In 1937 ontstond er een opstand tegen dit beleid. Deze werd geleid door Seyîd Riza (Seyit Rıza), terwijl het gewapende verzet onder andere werd georganiseerd door het echtpaar Alişêr en Zarife. De centrale rol van vrouwen in het Koerdische verzet kent daarbij een lange traditie.
De eisen voor hervormingen, zelfbestuur en nationale rechten werden niet besproken, maar met militair geweld beantwoord. Met een geheim besluit van de ministerraad van 4 mei 1937 kreeg het Turkse leger de opdracht om een „definitieve oplossing“ voor het „Dersim-probleem“ door te voeren.

15 augustus 1938, inwoners van het dorp Halvoriye kort voor hun moord | Foto: Dersim 1937-38 Oral History Project
Bloedbad en „tuchtoperatie“
Aan de vernietigingscampagne namen 30.000 tot 40.000 soldaten deel. Onder de noemer ‘bestraffing en deportatie’ werden hele dorpen verwoest, mensen doodgeschoten of met bajonetten gedood. Kinderen werden weggevoerd of samen met hun moeders in schuren opgesloten en verbrand. Ook gevechtsvliegtuigen werden ingezet.
In september 1937 stelde de Turkse regering een wapenstilstand en onderhandelingen in het vooruitzicht. Seyîd Riza reisde daarop naar Ezirgan (tr. Erzincan) voor gesprekken, maar werd daar gearresteerd, in een snel proces ter dood veroordeeld en op 15 november 1937 samen met zijn zoon en andere metgezellen in Xarpêt (Elazığ) geëxecuteerd.

Een van de vliegtuigen die in 1937/38 de dorpen van Dersim bombardeerden, werd bestuurd door Sabiha Gökçen, de adoptiedochter van Atatürk, naar wie in Turkije talloze straten en een van de twee grote luchthavens in Istanbul zijn vernoemd | Foto: Dersim 1937-38 Oral History Project
Escalatie en feminicide in 1938
Na de executie ging het verzet door, maar werd in het voorjaar van 1938 definitief neergeslagen. Ditmaal waren er ongeveer 100.000 soldaten ingezet. Het geweld richtte zich nu in toenemende mate tegen de burgerbevolking, met name tegen vrouwen en kinderen. Mensen die hun toevlucht zochten in grotten, werden opgesloten, uitgerookt of gedood. Uit angst voor gevangenschap sprongen veel vrouwen vanuit de bergen in de Munzur. Tienduizenden werden gedeporteerd. De gebeurtenissen worden daarom niet alleen als genocide, maar ook als gerichte feminicide beschreven.
Internationale verwikkelingen
De bloedbaden vonden plaats met medeweten van internationale actoren. Diplomatieke vertegenwoordigingen beschikten over rapporten over het geweld, zonder dat dit tot noemenswaardig protest leidde. Documenten uit archieven wijzen er bovendien op dat er bij het gebruik van gifgas banden met Duitsland bestonden. Volgens deze documenten zouden chemische strijdmiddelen uit productiefaciliteiten van nazi-Duitsland zijn geleverd, terwijl Turkse soldaten werden getraind in het omgaan daarmee.
Tot op heden geen verwerking
89 jaar na de genocide in Dersim is er nog steeds geen sprake van een grondige verwerking. De staatsdoctrine van een homogene natiestaat blijft van kracht. Alevitische organisaties eisen al jaren een officiële verontschuldiging en de erkenning van de gebeurtenissen als genocide. Daartoe behoren ook de toegang tot archieven, opheldering over vermisten, de identificatie van de slachtoffers en de hernoeming van de regio tot Dersim. 4 mei blijft daarmee niet alleen een herdenkingsdag, maar een centraal referentiepunt in de strijd om historische verwerking, erkenning en gerechtigheid.