- Frankrijk
Een conferentie die werd georganiseerd in het kader van de Koerdische Taalweek in Marseille stond in het teken van de martelaren van de Koerdische vrijheid. De conferentie begon met het zingen van het volkslied „Ey Reqîp“. Het evenement werd gezien als een belangrijke stap in de richting van de institutionalisering van het Koerdisch op het gebied van onderwijs en opvoeding, als onderdeel van de herstructureringsinspanningen die in heel Europa worden ondernomen.
Naast academicus en taalkundige Selim Temo woonden ook vertegenwoordigers van de Catalaanse en Occitaanse gemeenschap de conferentie bij. De toespraken werden vertaald via simultaanvertaling, terwijl het optreden van het kinderkoor met het lied “Zimanê Kurdî” warm werd onthaald door de deelnemers.
Nezahat Şahin sprak namens het Comité voor de Koerdische Taal en zei dat zij eerbiedig degenen herdachten die een bijdrage hebben geleverd aan de Koerdische taal, van Celadet Bedirxan tot Bavê Teyar. Şahin verklaarde dat de initiatieven die voor de Dag van de Koerdische Taal zijn gelanceerd, ononderbroken zullen worden voortgezet, en merkte op dat met name vrouwen en kinderen grote belangstelling hebben getoond voor cursussen Koerdisch.
Şahin voegde eraan toe dat de lessen Koerdisch in en rond Marseille doorgaan en verklaarde dat ze ook initiatieven zouden nemen om Koerdisch als keuzevak op scholen in Frankrijk te laten onderwijzen.
Catalaanse en Occitaanse vertegenwoordigers die op de conferentie het woord namen, zeiden dat hun eigen talen te maken hadden gehad met soortgelijk beleid van onderdrukking en assimilatie, en benadrukten dat ze ondanks alle moeilijkheden hun strijd voortzetten om hun talen te behouden.
In zijn toespraak benadrukte Selim Temo de historische diepgang van de Koerdische taal. Hij verklaarde dat de wortels van het Koerdisch teruggaan tot de oudheid en dat de taal ook wordt genoemd in Pahlavi-bronnen.
Verwijzend naar de rijkdom van de Koerdische mondelinge literatuur, herinnerde Temo eraan dat het epos “Memê Alan” een geschiedenis heeft van ongeveer tweeduizend jaar en werd omgevormd tot een nationaal epos nadat het door Ehmedê Xanî was opgeschreven.
Temo zei dat de Koerdische literatuur, verrijkt door belangrijke figuren als Melayê Cizîrî en Feqiyê Teyran, met de publicatie van het tijdschrift „Hawar“ een proces van standaardisering inging. Hij merkte op dat het Koerdisch ooit op grote schaal werd gebruikt als taal voor onderwijs en communicatie, zowel in madrasa's als in het dagelijks leven in Botan, Bedlîs en andere Koerdische vorstendommen, en voegde eraan toe dat Armeniërs, Assyriërs en Turkmenen die in die regio's woonden ook Koerdisch spraken.
Temo voegde eraan toe dat tijdens periodes waarin het Koerdisch verboden was, de taal in verschillende gebieden weer opdook en zich na centra als Damascus en Caïro verder ontwikkelde in Europa.
Bron: ANF