DEMOCRATISCHE MODERNITEIT

De maatschappelijke constructie van vrijheid

De maatschappelijke constructie van vrijheid

De kwestie van maatschappelijke vrijheid is een van de centrale, maar tegelijkertijd ook een van de meest problematische thema's van de moderne politieke theorie. Binnen de marxistische traditie wordt vrijheid in hoge mate gekoppeld aan de transformatie van de productieverhoudingen en het overwinnen van de klassenheerschappij. Hoewel dit perspectief een belangrijk theoretisch kader heeft opgeleverd om de structurele werking van kapitalistische uitbuiting bloot te leggen, leert de geschiedenis ons dat vrijheid niet automatisch ontstaat door veranderingen in de economische verhoudingen.

Zelfs onder gewijzigde omstandigheden van klassenheerschappij kunnen machtsverhoudingen in verschillende vormen opnieuw worden gereproduceerd – wat duidelijk maakt dat de kwestie van vrijheid een diepgaandere theoretische discussie vereist.

Het is duidelijk dat maatschappelijke vrijheid moet worden bekeken in samenhang met de verhouding tot het zijn en met de manier waarop een samenleving zichzelf begrijpt. Met andere woorden: vrijheid is geen politiek goed dat achteraf kan worden bereikt, maar een proces dat zich ontvouwt binnen ontologische voorwaarden, sociale relaties en praktische handelingsvormen. Als de mens – net als de samenleving – wordt opgevat als een statische essentie, wordt vrijheid onvermijdelijk beperkt. Daarentegen openen benaderingen die het zijn opvatten als een relationele, procesmatige en historisch gegroeide formatie, uitgebreide materiële en maatschappelijke voorwaarden voor vrijheid.

In dit verband mag Abdullah Öcalans opvatting van socialisme als maatschappelijkheid niet worden opgevat als een loutere afwijzing van het klassieke dialectisch materialisme. Het moet veeleer worden gezien als een poging om de door historische ervaringen aan het licht gebrachte beperkingen van deze benadering te overwinnen. Door ontologie, sociologie en socialisme te beschouwen als onlosmakelijk met elkaar verweven noodzakelijkheden, opent Öcalan de mogelijkheid om vrijheid te heroverwegen als een probleem van maatschappelijk bestaan – dat verder gaat dan een loutere verandering van machtsverhoudingen.

Tegen deze achtergrond kan de volgende centrale vraag worden geformuleerd: kan maatschappelijke vrijheid alleen worden bereikt door de productieverhoudingen te transformeren, of zijn het begrip van het zijn en de maatschappelijke ontologie constitutieve onderdelen van dit proces? Deze vraagstelling maakt het mogelijk om de sterke punten van het klassieke marxistische begrip van vrijheid te erkennen, maar tegelijkertijd ook de theoretische en praktische blokkades zichtbaar te maken die ontstaan door het negeren van de ontologische dimensie.

Dienovereenkomstig gaat dit artikel eerst in op de benadering van het klassieke dialectisch materialisme van het probleem van vrijheid en belicht het de historisch-praktische grenzen daarvan. Vervolgens wordt het belang van ontologische vragen in relatie tot vrijheid besproken en wordt onderzocht in hoeverre de manier waarop de mens en de samenleving zijn, de politieke praktijk beïnvloedt. In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de noodzaak van een uitbreiding van de op klassen gebaseerde analyses in een sociologisch kader, waarbij Öcalans op socialiteit gebaseerde opvatting van het socialisme op het snijvlak van deze theoretische debatten wordt geplaatst. Het onderzoek sluit af met een beschouwing over hoe het dialectisch materialisme door de integratie van ontologische en maatschappelijke dimensies in een meer historisch en omvattend kader kan worden overgebracht.

Klassiek dialectisch materialisme en het probleem van vrijheid

Het dialectisch materialisme vormt een van de krachtigste theoretische kaders van de moderne maatschappijkritiek. Marx en Engels beschouwden de geschiedenis op basis van materiële productieverhoudingen, waarbij de motor van maatschappelijke transformatie werd gelokaliseerd in de klassenstrijd. Dit perspectief ontnam de vrijheid haar morele of juridische dimensie en beschouwde haar in plaats daarvan als een historisch probleem dat onlosmakelijk verbonden is met de verandering van materiële omstandigheden. Met name de op uitbuiting van arbeidskrachten gebaseerde structuur van de kapitalistische productiewijze was van cruciaal belang om te verklaren waarom vrijheid systematisch wordt beperkt.

In de klassieke marxistische opvatting wordt vrijheid beschouwd als een historisch resultaat dat mogelijk wordt gemaakt door de afschaffing van privé-eigendom van productiemiddelen en de opheffing van klassenheerschappij. De staat verschijnt in dit verband als een repressief apparaat van de heersende klasse, dat met het verdwijnen van de klassen zelf overbodig zou moeten worden. Binnen dit schema wordt vrijheid opgevat als een maatschappelijke toestand die ontstaat na het verwerven van politieke macht en het hervormen van de productieverhoudingen.

Hoe consistent deze benadering in theorie ook mag lijken, de historische ervaringen hebben de grenzen ervan duidelijk blootgelegd. De socialistische experimenten van de 20e eeuw in verschillende regio's van de wereld tonen aan dat ingrijpende veranderingen in de productieverhoudingen niet automatisch hebben geleid tot de verwezenlijking van vrijheid. Het staatsapparaat verdween niet, integendeel: in veel gevallen nam het centralistischere en ingrijpendere vormen aan, en werden machtsverhoudingen op een nieuwe manier gereproduceerd binnen het maatschappelijk leven. Deze ontwikkelingen suggereren dat vrijheid niet kan worden gereduceerd tot de verandering van de economische basis.

Op dit punt stuit het begrip vrijheid van het dialectisch materialisme op twee centrale problemen: ten eerste wordt vrijheid vaak een doel dat naar een verre toekomst wordt verschoven. Autoritaire praktijken van het heden worden gelegitimeerd als tijdelijke noodzaak, terwijl vrijheid wordt uitgesteld tot een fase ‘na de revolutie’. Ten tweede wordt het menselijke subject grotendeels gedefinieerd door zijn klassepositie; alledaagse levenspraktijken, culturele relaties, genderverhoudingen en de microvormen van machtsuitoefening worden als ondergeschikt beschouwd. Dit maakt het moeilijk om te begrijpen hoe diepgaand heerschappij verweven is met het sociale weefsel.

Hierbij moet worden benadrukt dat deze beperkingen niet noodzakelijkerwijs voortvloeien uit de theorie van Marx zelf. In zijn vroege geschriften komt een praktijkbegrip naar voren dat benadrukt dat de mens niet louter een product is van materiële omstandigheden, maar dat hij zichzelf ook verandert door ermee in confrontatie te gaan. In grote delen van de marxistische traditie verdween dit ontologische aspect echter naar de achtergrond ten gunste van de focus op historische determinatie. De dialectiek werd vaak beperkt tot het gebied van de productie, en vrijheid werd niet behandeld als een alomvattende kwestie van maatschappelijk bestaan.

Het centrale dilemma van het klassieke dialectisch materialisme met betrekking tot het vrijheidsprobleem ligt dus niet in het negeren van de materiële basis, maar in het te eng afbakenen ervan. De productieverhoudingen blijven weliswaar doorslaggevend. Maar als niet tegelijkertijd wordt uitgelegd hoe deze verhoudingen worden gereproduceerd via het begrip van het zijn, via sociale banden en alledaagse praktijken, blijft de vrijheidskwestie onvolledig. Deze diagnose maakt duidelijk dat het noodzakelijk is om het dialectisch materialisme uit te breiden met ontologische en maatschappijtheoretische dimensies.

De ontologische vraag: begrip van het zijn en begrip van vrijheid

Het reduceren van de vrijheidskwestie tot politieke of economische niveaus behoort tot de fundamentele beperkingen van de moderne maatschappijtheorie. Het klassieke dialectisch materialisme biedt weliswaar een krachtige historische analyse door de productieverhoudingen centraal te stellen, maar laat de dieperliggende verhoudingen van de mens tot de wereld vaak op de achtergrond. Juist hier wordt de ontologie – dat wil zeggen de vraag naar het zijn – een centraal gebied om de voorwaarden voor het ontstaan van vrijheid beter te begrijpen.

De ontologie vraagt hoe de mens in de wereld bestaat. De mens is niet alleen een producerend wezen, drager van arbeidskracht of gedefinieerd door zijn klassenpositie. Hij is tegelijkertijd een zinvol, relationeel wezen dat zichzelf en zijn omgeving interpreteert. Vanuit dit perspectief wordt duidelijk dat maatschappelijke verhoudingen niet alleen externe structuren zijn – ze worden door de mens geïnternaliseerd en steeds opnieuw voortgebracht in alledaagse praktijken. Zonder een veranderd begrip van het zijn blijft het moeilijk om het recht op maatschappelijke vrijheid duurzaam te verwezenlijken.

De fundamentele kritiek van Martin Heidegger op de moderne filosofie is in dit verband verhelderend. Volgens hem reduceert het moderne denken het zijn tot een object – het meetbare, berekenbare en controleerbare wordt de maatstaf. Deze houding beperkt de relatie van de mens tot de wereld tot een technische en instrumentele verhouding. Het zijn verliest zijn karakter als een geleefd en gedeeld proces en wordt in plaats daarvan een beheerd en gereguleerd domein. Een dergelijk begrip van het zijn normaliseert heerschappij, in plaats van deze als een uitzonderingssituatie te erkennen.

Deze ontologische beperking is niet alleen eigen aan het kapitalisme. Ook staatsgerichte socialistische projecten vertonen soortgelijke problemen: zelfs wanneer de productiemiddelen werden gesocialiseerd, bleef het menselijk bestaan vaak bepaald door mechanismen van centrale planning, vertegenwoordiging en disciplinering. Vrijheid veranderde daarbij van een levendige, in sociale praktijken voortgebrachte verhouding in een doel dat van bovenaf werd gereguleerd – en daarmee in een nieuwe spanning tussen emancipatie en macht.

Abdullah Öcalans benadering plaatst hier de ontologie in het centrum van de politieke theorie. Voor hem ligt het probleem niet uitsluitend in eigendomsverhoudingen of klassenstrijd. Veel belangrijker is de vraag hoe de mens zichzelf en de samenleving begrijpt. Als het zijn wordt opgevat als een voortdurend, relationeel geheel van processen, dan wordt ook vrijheid een dynamische verhouding die in het dagelijks leven voortdurend wordt opgebouwd, in twijfel getrokken en opnieuw gecreëerd. In dit perspectief verandert vrijheid van een op de toekomst geprojecteerde belofte in een verantwoordelijkheid in het heden.

Het ontologische begrip dat Öcalan hier voorstelt, neemt tegelijkertijd kritisch afstand van identitaire of nationalistische bestaansvormen. Vaste identiteiten, onveranderlijke essenties en eenduidige historische verhalen vatten het ‘zijn’ op als iets star. Een relationele ontologie daarentegen vereist dat de mens zichzelf definieert via zijn relaties met anderen – en juist daarin ligt de sleutel tot een begrip van vrijheid dat niet wordt opgevat als individueel of collectief eigendom, maar als een zich voortdurend hervormend proces binnen het gemeenschappelijke leven.

Vanuit dit perspectief ontstaat er geen hiërarchische relatie tussen ontologie, sociologie en socialisme:

▪ De ontologie biedt de basis voor sociologische analyse,

▪ de sociologie maakt de maatschappelijke verschijningsvormen van ontologische voorwaarden zichtbaar,

▪ en het socialisme is de praktische oriëntatie om deze twee niveaus in de richting van vrijheid te transformeren.

Als het ontologische aspect wordt verwaarloosd, verwordt het socialisme onvermijdelijk tot een administratief model. Öcalans theoretische interventie is juist tegen deze reductie gericht.

De sociologische vraag: de grenzen van de klasse en de pluralistische vormen van maatschappelijke heerschappij

De klassieke marxistische sociologie analyseert de samenleving voornamelijk door de lens van klassenverhoudingen. De relatie tot de productiemiddelen bepaalt de sociale positie van het individu; politiek, recht, cultuur en ideologie verschijnen daarbij als bovenbouwfenomenen die op deze materiële basis berusten. Dit model was uiterst effectief in het blootleggen van de structurele ongelijkheden in kapitalistische samenlevingen. Maar wat betreft de verklaring van alle verschijningsvormen van maatschappelijke heerschappij stuit het na verloop van tijd op zijn grenzen.

Hoewel de categorie klasse tegenwoordig allang niet meer als homogeen wordt beschouwd, blijft ze onmisbaar voor het begrijpen van de dynamiek van het moderne kapitalisme. Maar vanuit historisch-antropologisch perspectief volstaat ze niet om de hele maatschappelijke werkelijkheid te vatten. Hiërarchieën, genderongelijkheid en religieuze en culturele vormen van onderdrukking bestonden namelijk al in premoderne en niet-statelijke samenlevingen. Dit suggereert dat heerschappij niet alleen gepaard ging met het ontstaan van klassen, maar ook voortbouwt op diepere, oudere vormen van sociale organisatie.

Precies op dit punt komt Öcalans sociologische interventie om de hoek kijken. Voor hem is klasse weliswaar een belangrijke vorm van maatschappelijke heerschappij, maar niet de belangrijkste en fundamentele. De breuk die samenlevingen hebben ondergaan met de opkomst van staatsbeschavingen was niet alleen een economische verandering. Het betekende tegelijkertijd een cognitieve, culturele en organisatorische breuk. Patriarchaat, hiërarchische autoriteit, representatieverhoudingen en centralisme ontwikkelden zich vóór de klassenvorming en werden daardoor verder versterkt.

Dit perspectief verbreedt het begrip van sociologie tot buiten een eng economisch referentiekader. De samenleving wordt niet alleen gezien als het resultaat van productieverhoudingen, maar ook als een levende structuur die evenzeer wordt gevormd door waarden, normen, gewoonten en dagelijkse praktijken. Heerschappij komt dus niet alleen tot uiting in de fabriek of in eigendomsverhoudingen, maar wordt ook voortdurend opnieuw geproduceerd in het gezin, de taal, het onderwijs en de politieke vertegenwoordiging. Dit maakt duidelijk dat de strijd voor vrijheid niet uitsluitend kan worden begrepen als een klassenconflict.

Binnen de marxistische traditie is op verschillende manieren geprobeerd deze leemte op te vullen: Antonio Gramscis concept van hegemonie, Louis Althussers theorie van ideologische staatsapparaten en later cultureel-marxistische benaderingen waren belangrijke stappen om klassenreductionistische perspectieven te overwinnen. Maar vaak bleven ook deze benaderingen steken in het niet fundamenteel in twijfel trekken van het model van de centralistische staat of de partij. Maatschappelijke verandering werd nog steeds gezien als een proces dat van bovenaf werd georganiseerd.

Daarentegen stelt Öcalans sociologisch kader de samenleving weer centraal. De samenleving is geen passief object, maar een subject met het vermogen tot zelforganisatie. Gemeenten, raden en lokale structuren zijn vanuit dit perspectief niet louter administratieve eenheden, maar constitutieve ruimtes van maatschappelijke emancipatie. Sociologie beperkt zich dus niet tot het analyseren van klassenverhoudingen, maar wordt een kennisgebied dat het vermogen van de samenleving tot zelfbestuur blootlegt.

Daarbij wordt de categorie klasse geenszins verworpen, maar verliest zij haar rol als enig referentiepunt. Klassenstrijd, genderstrijd, ecologische conflicten en de strijd om culturele zelfbeschikking worden gezien als onderling verweven processen. Dit begrip houdt rekening met het feit dat maatschappelijke heerschappij niet monocentraal is georganiseerd en plaatst de vrijheidsstrijd in een pluriforme structuur.

Deze sociologische uitbreiding is geenszins in tegenspraak met de centrale intuïties van het marxisme – integendeel: ze verdiept het historisch en maatschappelijk. De klassenanalyse wordt niet opgegeven, maar binnen een bredere maatschappelijke visie geherpositioneerd. Öcalans bijdrage bestaat er hierin dat hij de sociologie niet alleen als een beschrijvende discipline beschouwt, maar als een integraal onderdeel van een emancipatoire praktijk.

Socialisme als maatschappelijkheid: de maatschappelijke constructie van vrijheid

In de klassieke socialistische theorie wordt socialisme gedefinieerd als de socialisering van de productiemiddelen en het overwinnen van de klassenheerschappij. Socialisme wordt in dit kader beschouwd als een historische fase die volgt op het overwinnen van het kapitalisme. De staat speelt in deze overgangsfase een centrale rol – planning, distributie en coördinatie van de productie vinden plaats via staatsstructuren. De bevrijding van de samenleving wordt grotendeels gekoppeld aan het succes van dit centralistische hervormingsproces.

Hoewel deze benadering een krachtig alternatief bood voor de destructieve effecten van het kapitalisme, heeft ze in de loop van de tijd haar eigen beperkingen aan het licht gebracht. Socialisme werd steeds minder gezien als een levendige hervorming van sociale relaties, maar meer als een economisch-administratief model. De samenleving verloor haar status als actief subject en werd een object waarover beslist werd. Daardoor raakte vrijheid uit het oog als een door de samenleving voortgebrachte kwaliteit – en werd het een beheerde, technocratische aangelegenheid.

Precies op dit punt begint Abdullah Öcalans begrip van socialisme en markeert het een fundamentele breuk met dit erfgoed. Voor hem betekent socialisme vooral het blootleggen van het vermogen van de samenleving tot zelforganisatie en collectieve besluitvorming. Socialisme is vanuit zijn perspectief niet louter een economisch systeem of een bepaalde staatsvorm, maar een manier van leven. Het begrip ‘maatschappelijkheid’ wordt in deze context centraal. Socialisme verschijnt hier als de praktijk waarmee de samenleving zichzelf opnieuw voortbrengt.

In dit perspectief komt vrijheid niet automatisch met de terugtrekking van centrale machtsinstanties. Ze krijgt veeleer concreet vorm in gemeenten, vergaderingen en alledaagse vormen van maatschappelijke organisatie. Economie, politiek en cultuur kunnen alleen bevrijdend werken als ze worden gedragen door de directe participatie van de samenleving. Sociaal gedrag is daarbij niet gelijk te stellen aan een collectivistisch concept dat het individu negeert, maar verwijst naar een relatiepraktijk waarin het individu juist door zijn sociale banden aan kracht wint.

Öcalans begrip van socialisme is niet alleen gebaseerd op een kritiek op vroegere staatsgerichte socialistische modellen. Zijn perspectief is ook ontologisch en sociologisch gefundeerd: als de mens wordt opgevat als een relationeel wezen, dan kan vrijheid ook alleen in relaties ontstaan – ze kan niet vanuit een centrum worden verdeeld. Waar maatschappelijke organisatievormen geen vrijheid voortbrengen, volstaat ook een transformatie van de eigendomsverhoudingen niet.

Dit concept van socialiteit devalueert de klassenstrijd niet, maar bedekt het in een uitgebreid veld van sociale strijd. De tegenstellingen tussen kapitaal en arbeid, genderongelijkheid, ecologische crises en culturele onderdrukking worden gezien als verschillende uitingen van één en dezelfde sociale crisis. Het socialisme claimt een collectief, sociaal gefundeerd antwoord te ontwikkelen op elk van deze crises.

Samenvattend kan worden gesteld dat socialisme bij Öcalan geen doel is dat wordt bereikt door de staatsmacht te veroveren. Het is een proces waarin de samenleving zichzelf opnieuw vormt. Dit proces vereist voortdurende actie, een praktisch zijn-in-de-wereld. Sociaal bewustzijn beschouwt vrijheid niet als een eindtoestand, maar als een geleefde ervaring. In dit opzicht biedt het socialisme van Öcalan een perspectief op sociale bevrijding dat verder gaat dan het staats- en machtsgerichte idee van klassiek links.

De actualisering van het dialectisch materialisme: proces, relationaliteit en subject

Het dialectisch materialisme is een invloedrijke denkwijze die maatschappelijke verandering begrijpt aan de hand van het principe van tegenstrijdigheid. De wederzijdse beïnvloeding van materiële omstandigheden en maatschappelijk bewustzijn vormt het centrale axioma van deze benadering. Maar in de loop van haar theoretische ontwikkeling werd dit perspectief vaak beperkt tot het domein van de productie. Dialectiek werd gelijkgesteld aan de bewegingswetten van de economische basis. Deze beperking is niet toe te schrijven aan het dialectisch denken op zich, maar veeleer het resultaat van een specifieke historische interpretatie.

Öcalans theoretische interventie dwingt ons om dialectiek opnieuw te begrijpen als een denken in processen en relaties. Maatschappelijke verandering kan niet uitsluitend worden begrepen door de ontbinding van klassengebonden tegenstellingen. Ze vindt evenzeer plaats in de transformatie van de relaties die de mens onderhoudt met zichzelf, met de gemeenschap en met de natuur. In deze bredere opvatting wordt dialectiek niet langer gezien als een opeenvolging van historische fasen, maar als een voortdurend, open proces van wording.

In het klassieke dialectisch materialisme wordt het subject meestal opgevat als drager van historische noodzaak. De klasse verschijnt daarbij als collectieve hoofdrolspeler op het historische toneel. Dit perspectief benadrukt weliswaar het belang van collectief handelen, maar blijft wat betreft individuele en collectieve subjectiveringsprocessen binnen een beperkt kader. Öcalans benadering definieert het subject niet alleen op basis van zijn klassepositie. Hij beschouwt het veeleer als een in de praktijk ontstaand en voortdurend veranderend wezen.

Deze uitbreiding betekent geen devaluatie van de materiële realiteit – integendeel: ze beoogt een verruiming van het begrip van wat als materieel wordt beschouwd. De economische productieverhoudingen blijven een centraal aspect van de maatschappelijke realiteit, maar vormen niet de enige dimensie ervan. Taal, cultuur, genderverhoudingen, ecologische relaties en vormen van politieke participatie worden eveneens beschouwd als onderdeel van het materiële weefsel. Zo wordt de dialectiek in staat gesteld om niet alleen de tegenstellingen tussen kapitaal en arbeid te analyseren, maar ook de veelzijdige conflictlijnen van het maatschappelijk bestaan te vatten.

De hier voorgestelde actualisering van het dialectisch materialisme betekent geen ommezwaai naar het idealisme. Het gaat er veeleer om om voorbij abstracte idealiseringen de concrete, veelzijdige structuur van het maatschappelijk leven te begrijpen. De materiële werkelijkheid beperkt zich niet tot het meetbare of telbare – ook maatschappelijke relaties, gewoonten en vormen van samenleven hebben een materiële kwaliteit. Dit inzicht verdiept de maatschappelijke reikwijdte van het dialectisch denken.

In Öcalans concept wordt dialectiek van een strategie om de macht te veroveren een methode om de permanente zelfproductie van de samenleving te begrijpen. De tegenstelling is niet in de eerste plaats een te overwinnen obstakel, maar een dynamisch potentieel voor transformatie. De revolutie verschijnt daarmee niet langer als een punctuele breuk, maar als een langdurig proces van maatschappelijke zelfvorming. Samenvattend kan worden gesteld dat deze actualisering het dialectisch materialisme niet tenietdoet, maar het verder uitwerkt in het licht van historische ervaringen en theoretische noodzaak. Öcalans bijdrage bestaat erin de dialectiek los te maken van haar staats-, partij- en klassencentrische kader en haar te transformeren tot een levenswereld- en maatschappijgerichte denkwijze. In deze nieuwe versie wordt vrijheid niet langer behandeld als een ver doel – ze wordt een praktijk in het hier en nu.

De constitutieve verbinding tussen ontologie, samenleving en vrijheid

Deze tekst heeft de vrijheidskwestie opnieuw onder de loep genomen aan de hand van de onlosmakelijke verbinding tussen ontologie, sociologie en socialisme. De centrale stelling luidt: maatschappelijke vrijheid kan niet alleen worden gerealiseerd door de transformatie van productieverhoudingen. Zolang het begrip van het menselijk bestaan, de sociale banden en de vormen van subjectivering niet fundamenteel veranderen, zal bevrijding geen duurzame realiteit worden. Het doel van de analyse was niet om de fundamentele inzichten van klassiek links te verwerpen, maar om de blinde vlekken zichtbaar te maken die hun theoretische beperkingen vormen.

Het klassieke dialectisch materialisme blijft een krachtig instrument voor de analyse van kapitalistische uitbuiting en sociale ongelijkheid. Zijn neiging om vrijheid echter te beschouwen als een doel dat naar de toekomst wordt verschoven, creëert een structurele afstand tot de maatschappelijke praktijk. De staatsgerichte socialistische ervaringen tonen duidelijk aan dat deze afstand niet alleen een theoretisch probleem was, maar ook historische gevolgen had. Waar de sociale verhoudingen niet gelijktijdig met de economische verhoudingen veranderden, ontstonden nieuwe vormen van heerschappij.

Tegen deze achtergrond werd het ontologische aspect centraal gesteld in de analyse. De mens bestaat in de wereld niet alleen binnen economische structuren, maar ook door betekenissen, relaties en praktijken. Zijn is geen statische toestand, maar een proces van voortdurend worden. In die zin wordt vrijheid ook niet opgevat als een afgesloten toestand, maar als een sociale verhouding die voortdurend wordt voortgebracht in collectieve levenscontexten. Ontologie verliest daarmee haar karakter als abstracte discipline van de politieke theorie en wordt een materiële basis van vrijheid.

De sociologische discussie heeft tegelijkertijd aangetoond dat klassenanalyse onmisbaar blijft, maar dat maatschappelijke heerschappij niet kan worden gereduceerd tot één enkele structurele tegenstelling. Patriarchale patronen, culturele hiërarchieën, centralisme en vertegenwoordigingsverhoudingen zijn historisch verweven met de klassenmaatschappij, maar gaan deze deels ook vooraf. De bevrijding van de samenleving vereist een confrontatie met al deze vormen van heerschappij. Sociologie wordt daardoor niet alleen een analytisch instrument, maar ook een constitutief onderdeel van emancipatorische praktijk.

Öcalans begrip van socialisme brengt deze ontologische en sociologische uitbreiding samen in het begrip ‘maatschappelijkheid’. Socialisme wordt niet langer gezien als een project om de staatsmacht te veroveren, maar als het vrijmaken van het collectieve vermogen van de samenleving tot zelforganisatie. Gemeenten, raden en lokale structuren zijn in deze opvatting niet louter administratieve eenheden, maar plaatsen waar vrijheid concreet tot stand wordt gebracht. De samenleving verschijnt niet langer als een passief object, maar als een actieve drager van haar eigen bevrijding.

Deze benadering krijgt noodzakelijkerwijs ook kritiek. Het meest gehoorde bezwaar is dat ze de klassenstrijd naar de achtergrond verdringt. Het doel is hier echter niet om de categorie klasse te verwerpen, maar om haar uit haar bevoorrechte positie als enige verklaringscategorie te halen. De tegenstelling tussen arbeid en kapitaal blijft een centraal kenmerk van het moderne kapitalisme, maar zonder rekening te houden met premoderne machts- en heersstructuren kan maatschappelijke dominantie niet volledig worden begrepen.

Een ander punt van kritiek betreft de vermeende breuk met het marxisme: de nadruk op ontologie en samenleving zou worden geïnterpreteerd als een toenadering tot idealistische denktradities. Maar hier wordt de materiële realiteit niet verworpen – ze wordt veeleer breder opgevat. Maatschappelijke relaties, alledaagse praktijken, organisatievormen en collectieve levenswijzen maken eveneens deel uit van de materiële wereld. Dit perspectief is erop gericht om de vaak over het hoofd geziene ontologische kern van het marxisme weer zichtbaar te maken.

Ook de kritiek op een vermeend onduidelijk standpunt ten aanzien van de machtskwestie moet serieus worden genomen. De focus op socialiteit wordt soms geïnterpreteerd alsof deze de problematiek van centrale machtsstructuren bagatelliseert. Maar deze kritiek beperkt macht tot het staatsmonopolie op geweld. In moderne samenlevingen is macht echter verspreid over verschillende maatschappelijke domeinen. Het louter overnemen van de staat lost deze gedecentraliseerde vormen van heerschappij niet op. Maatschappelijkheid maakt macht niet onzichtbaar – integendeel: het maakt het zichtbaar op lokaal en pluralistisch niveau.

Een laatste bezwaar betreft de praktische haalbaarheid van deze benadering. Juist in tijden van crisis, oorlog en autoritarisme wordt betwijfeld of maatschappijgerichte modellen duurzaam haalbaar zijn. Deze kritiek weerspiegelt echter niet zozeer de zwakke punten van de theorie als wel de grenzen van de bestaande machtsverhoudingen. Historische ervaringen tonen aan dat vormen van maatschappelijke zelforganisatie zelfs onder de meest ongunstige omstandigheden kunnen ontstaan – de praktijk in Rojava is daar een indrukwekkend voorbeeld van.

Samenvattend kan worden gesteld dat dit onderzoek heeft aangetoond dat eendimensionale verklaringsmodellen geen recht doen aan het complexe karakter van maatschappelijke vrijheid. Wanneer ontologie, sociologie en socialisme samen worden bedacht, verandert vrijheid van een abstract ideaal of een uitgestelde belofte in een geleefde maatschappelijke praktijk. De bijdrage van Abdullah Öcalan ligt in de poging om juist deze holistische benadering te herstellen – en levert daarmee een belangrijk voorstel voor een theoretische vernieuwing van het hedendaagse linkse denken.

Auteur: Sinan Cûdî 

Sinan Cûdî is journalist en woont en werkt in Rojava. 

Gerelateerde Artikelen