- Turkije
De mensenrechtenorganisatie IHD juicht het wetsontwerp „Ter versterking van de nationale solidariteit en de maatschappelijke samenhang“ toe als een belangrijke eerste stap naar een democratische oplossing voor de Koerdische kwestie. Tegelijkertijd benadrukt de organisatie dat het ontwerp in zijn huidige vorm nog niet volledig aansluit bij de geest van het proces voor vrede en een democratische samenleving. Een duurzaam vredesproces kan alleen slagen in het kader van een alomvattende democratisering.
Besluit van de MGK versnellen
In een standpunt heeft de IHD daarom zeven wijzigingsvoorstellen ingediend. De eerste eis betreft het in het wetsontwerp voorziene besluit van de Nationale Veiligheidsraad (MGK), dat een voorwaarde is voor de inwerkingtreding van centrale bepalingen. Volgens de IHD moet hiervoor een bindende termijn – bijvoorbeeld van maximaal één maand – worden vastgesteld, zodat het verdere proces niet onnodig wordt vertraagd.
De wet moet het gehele politieke conflict omvatten
De IHD staat bovendien kritisch tegenover de in het wetsontwerp opgenomen onderscheidingen naar soort delict en tijdstip van het delict. De wet moet alle onderzoeks-, gerechtelijke en strafuitvoeringsprocedures omvatten die verband houden met de Koerdische kwestie. Alleen een alomvattende regeling kan de overgang van het gewapende conflict naar een politiek en maatschappelijk oplossingsproces bevorderen. In dit verband dringt de vereniging ook aan op een nauwkeurigere formulering van de uitsluitingsbepalingen. Met name de categorie van opzettelijke moorddelicten is op basis van de tot nu toe gevoerde rechtspraak te vaag en houdt aanzienlijke risico’s in voor de praktische toepassing van de wet.
Politieke participatie niet beperken
De IHD verwerpt bovendien de in het wetsontwerp voorziene termijnen voor de opschorting van procedures en de tijdelijke ontzegging van politieke rechten. „Als gewapende conflicten moeten worden vervangen door democratische politiek, mag de politieke activiteit van de betrokkenen niet jarenlang worden beperkt”, benadrukt de organisatie, en zij eist dat de geplande toezichtcommissie van het parlement breder wordt samengesteld. Naast parlementsleden zouden ook vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en deskundigen op het gebied van vredes- en conflictonderzoek in de commissie moeten worden opgenomen om het maatschappelijk vertrouwen in het proces te versterken.
Procedures ambtshalve inleiden
Een andere eis betreft mensen die zich in het buitenland bevinden of in hechtenis zitten. Hoewel een verzoek om toepassing van de wet op gewapende strijders begrijpelijk is, is er voor gevangenen en in het buitenland wonende betrokkenen geen objectieve reden om een afzonderlijke aanvraagprocedure voor te schrijven. De IHD stelt daarom voor om de vereiste gerechtelijke en administratieve procedures in deze gevallen ambtshalve in te leiden.
Ook vredesacademici betrekken
Ten slotte bekritiseert de mensenrechtenvereniging dat de zogenaamde vredesacademici en werknemers die vanwege vermeende banden of affiniteit met de Koerdische vrijheidsbeweging uit de openbare dienst zijn ontslagen, niet onder het toepassingsgebied van de wet zijn opgenomen. „Hun uitsluiting druist in tegen het rechtvaardigheidsgevoel en de ambitie om de gevolgen van de Koerdische kwestie grondig te verwerken“, aldus de organisatie. Volgens de IHD zouden daarom ook deze groepen personen onder de bepalingen van de kaderwet moeten vallen.