De Mensenrechtenvereniging (IHD) heeft haar „Monitoringrapport over het vredesproces met de PKK“ gepresenteerd tijdens een persconferentie in de Orde van Advocaten van Diyarbakır (Amed). Het rapport, dat werd gepresenteerd door IHD-medevoorzitter Cihan Aydın, gaf een overzicht van de ontwikkelingen tussen 1 oktober 2024 en 1 juli 2026.
Op basis van openbaar beschikbare bronnen onderzocht het rapport de voortgang van het vredesproces, het werk van de door de Grote Nationale Vergadering van Turkije (TBMM) ingestelde parlementaire commissie en de gevolgen van het proces voor de mensenrechten en de rechtsstaat. Ook werd vermeld dat het maatschappelijk middenveld, bij gebrek aan een officieel toezichtsmechanisme, had getracht die leemte op te vullen.
De IHD omschreef 2025 als „een jaar waarin het gewapende conflict met de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) tot een einde kwam, terwijl er ernstige tegenslagen werden ondervonden op het gebied van mensenrechten, democratie, rechtvaardigheid en fundamentele vrijheden“.
Uit het rapport bleek dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de benoeming van bewindvoerders, de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid, het recht op vreedzame vergadering en demonstratie, de bescherming tegen discriminatie en het recht op leven allemaal een aanzienlijke achteruitgang hadden ondergaan.
Het rapport bestempelde de periode tussen februari en juni 2026 als de „vierde fase” van het proces en concludeerde dat „de verwachtingen ten aanzien van een kaderwet blijven bestaan, maar dat het proces aan vaart heeft ingeboet. Per 1 juli 2026 is het proces in een periode van stagnatie terechtgekomen.”
In het rapport werd gesteld dat het beëindigen van het gewapende conflict op zich niet voldoende was om duurzame vrede te bereiken. Er werd opgeroepen tot de goedkeuring van een alomvattende kaderwet door de Grote Nationale Vergadering van Turkije, de doorvoering van democratische hervormingen, het beëindigen van de benoeming van bewindvoerders, waarborgen voor de vrijheid van meningsuiting en de instelling van waarheidsmechanismen om onopgeloste politieke moorden te onderzoeken.
De IHD beval tevens de officiële erkenning van onafhankelijke toezichtsmechanismen aan, evenals een sterkere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij het proces en voortdurende steun van internationale organisaties.
Het rapport ging ook in op de rol van de heer Öcalan in het ontwapeningsproces, en stelde:
„Hij wordt beschouwd als een leider die ervoor kan zorgen dat het besluit tot ontwapening door de achterban van de organisatie wordt aanvaard. In de literatuur over conflictoplossing kunnen leiderschapsfiguren een cruciale rol spelen bij het opbouwen van vertrouwen en het waarborgen van de uitvoering van besluiten. Om deze reden wordt aanbevolen dat het proces op institutionele basis wordt gevoerd en dat de relevante actoren binnen een wettelijk kader worden gedefinieerd.”
In het rapport werd ook opgeroepen tot wijzigingen in de wetgeving inzake de tenuitvoerlegging van straffen en tot maatregelen om het recht op hoop te waarborgen, waarbij de nadruk werd gelegd op de noodzaak om de rechtsstaat te handhaven, de rechten van slachtoffers te beschermen, maatschappelijke legitimiteit te waarborgen en transparante en democratische besluitvormingsprocessen tot stand te brengen.
Het rapport concludeerde: „Het welslagen van het proces hangt af van het gezamenlijk versterken van de veiligheid, de rechtsstaat, de democratie en de maatschappelijke verzoening.”