Wie de huidige statistieken over het inkomen per hoofd van de bevolking in Turkije bekijkt, komt steeds weer dezelfde namen tegen. Amed (Tr. Diyarbakır), Mêrdîn (Mardin), Êlih (Batman), Wan (Van), Agirî (Ağrı), Mûş (Muş) of Bedlîs (Bitlis) behoren al jaren tot de economisch zwakste provincies van het land. Daar is ook volgens de meest recente gegevens van het Turkse bureau voor de statistiek TÜIK nauwelijks iets aan veranderd.
De vraag is daarom allang niet meer waarom er armoede heerst in Koerdistan. De eigenlijke vraag is waarom dit beeld al decennia lang vrijwel onveranderd voortduurt. Voor veel wetenschappers, journalisten en politieke actoren schiet de term ‘armoede’ daarbij tekort. Zij spreken in plaats daarvan van ‘verarming’. Het verschil is niet alleen van taalkundige aard. Armoede beschrijft een toestand. Verarming beschrijft een proces.
De historische wortels van de verarming
De economische ontwikkeling van Noord-Koerdistan kan niet los van de politieke geschiedenis worden gezien. Decennialang werd de regio vooral behandeld als een bron van grondstoffen en arbeidskrachten. Terwijl de westelijke delen van het land werden geïndustrialiseerd, bleef Koerdistan grotendeels uitgesloten van centrale investeringsprogramma’s. De landbouwproductie en goedkope arbeidskrachten stonden ten dienste van de totale economie, zonder dat dit tot een zelfstandige regionale ontwikkeling kon leiden.
Vooral de jaren negentig hadden ingrijpende gevolgen. Duizenden dorpen werden verwoest of ontruimd tijdens de vuile oorlog van de Turkse staat tegen de Arbeiderspartij van Koerdistan (PKK), en miljoenen mensen moesten hun thuisland verlaten. De gevolgen van deze verdrijvingen reiken tot op de dag van vandaag veel verder dan alleen het verlies van woonruimte.
Met de dorpen verdwenen ook de economische basis, lokale productiestructuren en sociale netwerken. Veel gezinnen kwamen terecht in de buitenwijken van grote steden in het westen van Turkije en werden onderdeel van een onzekere arbeidsmarkt die hen nauwelijks sociale zekerheid bood. Het tot op de dag van vandaag wijdverbreide beeld van een „onderontwikkeld zuidoosten“ verhult daarbij vaak de politieke oorzaken van deze ontwikkeling. De economische zwakte van Koerdistan is niet het gevolg van geografische omstandigheden, maar het resultaat van historische beslissingen.
De nieuwe fase na 2016
Na 2016 kreeg deze ontwikkeling een nieuwe dimensie. Door het afzetten van gekozen burgemeesters en het aanstellen van door de staat benoemde bewindvoerders verloren veel steden cruciale instrumenten voor lokale ontwikkeling. Talrijke gemeentelijke projecten werden stopgezet of geherstructureerd. Dit had gevolgen voor werkgelegenheidsprogramma’s, vrouwencoöperaties, onderwijsaanbod en lokale ondersteuningsstructuren. Vooral in steden als Amed, Mêrdîn en Wan hadden de ingrepen langdurige economische gevolgen. Veel gezinnen, die al eerder te lijden hadden gehad onder de gevolgen van oorlog en verdrijving, werden opnieuw geconfronteerd met toenemende onzekerheid. De politieke ingrepen bleven daarbij niet beperkt tot bestuurlijke kwesties. Ze veranderden ook de economische handelingsruimte ter plaatse.
Oorlog, verwoesting en onteigening
Daarnaast waren er de gevolgen van de militaire belegering in plaatsen als Sûr, Cizîr, Nisêbîn of Silopiya. Maandenlange uitgaansverboden, legeroperaties en grootschalige verwoestingen vernietigden woonruimtes, winkels en economische bestaansmiddelen. Tienduizenden mensen raakten hun huizen, banen en spaargeld kwijt. In de jaren daarna ontstonden op veel plaatsen nieuwe bouwprojecten. Maar vaak waren het niet de voormalige bewoners die over de wederopbouw beslisten. Grote bouwbedrijven en centrale aanbestedingsprocedures bepaalden de ontwikkeling. Deskundigen spreken daarom van een proces van onteigening en verdringing, waarbij economische belangen en politieke controle nauw met elkaar verweven waren.
Van de Koerdische kwestie naar de sociale kwestie
Ook de maatschappelijke perceptie is veranderd. Onderzoek van het onderzoeksinstituut SAMER toont aan dat veel mensen in Koerdistan tegenwoordig werkloosheid, inflatie en economische onzekerheid als hun meest urgente problemen noemen. Nog maar tien jaar geleden stonden de Koerdische kwestie en de oorlog aanzienlijk vaker centraal. Deze verschuiving betekent echter niet dat de politieke oorzaken zijn verdwenen. Integendeel: de economische crisis beïnvloedt in toenemende mate het dagelijks leven van de mensen en dringt langetermijnpolitieke kwesties naar de achtergrond. Wie dagelijks moet vechten om werk, huur of voedsel, heeft vaak minder mogelijkheden om zich politiek te organiseren of maatschappelijk actief te zijn. Juist daarin zien veel waarnemers de politieke dimensie van de verarming. Deze heeft niet alleen gevolgen voor het inkomen en de levensstandaard, maar ook voor de mogelijkheden om maatschappelijk actie te ondernemen.
De gevolgen reiken veel verder dan de economie
De gevolgen zijn vooral duidelijk zichtbaar in het onderwijs. Veel kinderen en jongeren stoppen voortijdig met school om bij te dragen aan het inkomen van hun gezin. Seizoenswerk en informele arbeid blijven in veel regio’s wijdverbreid. Tegelijkertijd verlaten talrijke jongeren Koerdistan na hun opleiding, omdat ze ter plaatse geen perspectief zien. Deze uittocht leidt tot een blijvend verlies aan gekwalificeerde arbeidskrachten. Terwijl de regio arbeidskrachten exporteert, ontbreken tegelijkertijd investeringen die nieuwe perspectieven zouden kunnen creëren. Daarnaast komen traditionele solidariteitsstructuren steeds meer onder druk te staan. Waar de economische onzekerheid toeneemt, worden vormen van gemeenschappelijke ondersteuning vaak vervangen door individuele overlevingsstrategieën.
Verder dan het hulpbeleid
Volgens veel maatschappelijke initiatieven kan het antwoord op deze ontwikkeling niet uitsluitend in sociale bijstand liggen. Voedselpakketten, financiële steun of kortlopende hulpprogramma’s kunnen acute nood verlichten. Ze veranderen echter niets aan de structurele oorzaken van de verarming. Daarom winnen discussies over lokale economische kringlopen, coöperaties en gemeenschappelijke productievormen opnieuw aan belang. Vrouwencoöperaties, landbouwverenigingen en gemeentelijke initiatieven laten nu al zien dat alternatieve modellen mogelijk zijn.
Of hieruit op de lange termijn meer voortkomt dan afzonderlijke projecten, zal ook afhangen van de vraag of economische ontwikkeling in de toekomst wordt gezien als een kwestie van democratische participatie. Het debat over armoede in Koerdistan is immers uiteindelijk meer dan een sociaal debat. Het is een discussie over politieke rechten, economische zelfbeschikking en de toekomst van een regio waarvan de economische realiteit al decennia lang wordt bepaald door politieke beslissingen.
Auteur: Rüstem Sincer