De Democratische Alevitische Federatie (FEDA) en de Vereniging van Democratische Alevitische Vrouwen (DAKB) hebben de publicatie van tot nu toe onbekende originele foto’s van de executie van Seyîd Riza en zijn metgezellen bestempeld als een belangrijke bijdrage aan de verwerking van de genocide in Dersim. De foto’s zouden geen gewone historische documenten zijn, maar getuigenissen van een misdaad waarvan de gevolgen tot op de dag van vandaag voortduren.
De twee organisaties herinnerden aan 15 november 1937, toen Seyîd Riza en zes van zijn metgezellen op het Buğday-plein in Xarpêt (Tr. Elazığ) werden geëxecuteerd. De executies moeten niet worden gezien als een op zichzelf staande gebeurtenis, maar als onderdeel van de genocide op de bevolking van Dersim. Het doel was om de politieke wil, het alevitische geloof en de gemeenschapsvormen in de regio te breken.
Foto’s als getuigenissen van historische waarheid
De foto’s die onlangs door historicus Sedat Ulugana zijn gepubliceerd en voor het eerst via Stêrk TV zijn uitgezonden, hebben volgens FEDA en DAKB een nieuw debat over herinnering en historische verantwoordelijkheid op gang gebracht. „Deze foto’s zijn geen gewone historische foto’s. Ze zijn de stille getuigenissen van de diepe wonden van de genocide van 1937 en 1938.”
Voor de organisaties staat daarom niet de vraag centraal onder welke omstandigheden de opnames zijn gemaakt of bewaard gebleven. Doorslaggevend is dat ze een historische misdaad documenteren waarvan de gevolgen tot op de dag van vandaag niet zijn verwerkt. De manier waarop ze zijn gepubliceerd, heeft bovendien veel mensen in de alevitische en Koerdische gemeenschap gekwetst, omdat de beelden voor de nakomelingen van de getroffenen deel uitmaken van een collectief geheugen dat tot op de dag van vandaag levend is.
Verwerking blijft een openstaande taak
Historische gerechtigheid houdt zich volgens de verenigingen niet op bij de publicatie van nieuwe documenten. Wat nodig is, is veeleer een uitgebreide verwerking van de gebeurtenissen van 1937 en 1938, waarbij ook de nog steeds onopgeloste kwesties aan de orde komen. Daartoe behoren de onbekende begraafplaatsen van Seyîd Riza en zijn metgezellen, evenals het lot van de ontvoerde meisjes uit Dersim, de gedeporteerde families en de tot nu toe niet volledig toegankelijke staatsarchieven. „Elk nieuw bekend geworden document, elke getuigenverklaring en elke foto maakt de historische waarheid, die decennialang werd ontkend, opnieuw zichtbaar.“
Eisen voor waarheid, opheldering en erkenning
Tegen deze achtergrond hebben FEDA en DAKB hun eisen aan de Turkse staat herhaald. De graven van de geëxecuteerden moeten worden blootgelegd, alle archieven over de genocide van 1937/38 moeten worden opengesteld en onbeperkt toegankelijk worden gemaakt voor onderzoekers. Daarnaast eisen de organisaties dat massagraven worden onderzocht en dat er volledige opheldering komt over de ontvoerde kinderen en de gedwongen deportaties uit Dersim.
Bij een serieuze verwerking hoort bovendien een officiële verontschuldiging aan de nabestaanden van de getroffenen, evenals de erkenning van de historische verantwoordelijkheid voor de genocide in Dersim. Het inwilligen van deze eisen is niet alleen een kwestie van rechtvaardigheid jegens de slachtoffers, maar ook een voorwaarde voor maatschappelijke vrede en een gezamenlijke herdenkingscultuur.
Herdenking van Seyîd Riza en zijn metgezellen
Tot slot herdachten FEDA en DAKB Seyîd Riza, zijn zoon Reşik Ûşen, Findik Axa, Hesen Axa, Hesenê İvaîmê Qijî, Aliyê Mirzî Silî en Ûşenê Seydî, die op 15 november 1937 in Xarpêt werden geëxecuteerd. De organisaties verklaarden dat hun inzet voor waarheid, gerechtigheid en vrijheid in het teken blijft staan van de nalatenschap van de geëxecuteerden.