DOSSIERS & OPINIE

Noord-Koerdistan loopt voorop bij de democratische transformatie en organisatie

Noord-Koerdistan loopt voorop bij de democratische transformatie en organisatie

In een van zijn beschouwingen over de strijd van vrouwen zei de heer Öcalan: „Men moet een verdediger van de vrijheid van vrouwen worden. Ik beschouw het als immoreel om vrouwen te vormen volgens opgelegde normen. Een vrouw heeft haar eigen Xweda nodig. Xweda betekent jezelf tot leven brengen. Een vrije vrouw rijst op als de zon. De woorden jin (vrouw) en jiyan (leven) hebben een diepgaande betekenis. Vrouwen moeten krachtig en vrij zijn en in staat zijn om hun eigen beslissingen te nemen. Een vrouw is een waardevol wezen. Daarom zijn de woorden jin en jiyan zo betekenisvol. Vorm vrouwen op die hun eigen beslissingen nemen. Vrouwen moeten hun eigen vrije leefruimtes en gebouwen hebben, plekken waar ze gezamenlijk vorm kunnen geven aan het leven. Maak de zoektocht naar de vrije vrouw tot de basis van jullie werk. Ik herhaal: er is geen leven zonder vrouwen. Blijf hoopvol, zet je in en handel met overtuiging. Werk waarin vrouwen centraal staan, is essentieel.”

Het paradigma van de vrouwenbevrijding van de heer Öcalan, dat de vanaf de geboorte aan vrouwen opgelegde genderrollen verwerpt en consequent benadrukt dat vrouwen moeten bestaan vanuit hun eigen kracht, heeft wortel geschoten in de vier delen van Koerdistan.

Geïnspireerd door het paradigma van de heer Öcalan zijn Koerdische vrouwen uitgegroeid tot de drijvende kracht achter de strijd en tot de architecten van verandering en transformatie in alle vier de delen van Koerdistan. Hun verzetsnetwerken, opgebouwd tegen het patriarchale systeem en de politieke orde die het Koerdische volk heeft gemarginaliseerd, strekken zich nu uit van lokale gemeenschappen tot cultuur, kunst, politiek en alle aspecten van het leven.

Deze verworvenheden worden echter gepresenteerd als het resultaat van de Koerdische vrijheidsstrijd onder leiding van de heer Öcalan. In deze vierdelige serie onderzoeken we de strijd van Koerdische vrouwen, van Noord-Koerdistan (Bakur) tot Rojava, van Oost-Koerdistan (Rojhilat) tot Zuid-Koerdistan (Başur), en de uitdagingen waarmee zij nog steeds worden geconfronteerd.

Het resultaat van decennia van strijd

De Koerdische vrouwenbeweging in Noord-Koerdistan is het resultaat van decennia van voortdurende strijd. Vrouwen die zich na de oprichting van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) in 1978 bij de beweging aansloten, toonden als eersten aan dat „het onmogelijk is te bestaan zonder verzet“. Vanaf de jaren negentig ontwikkelden vrouwen die deelnamen aan de gewapende strijd een paradigma dat niet alleen streefde naar nationale bevrijding, maar ook naar hun eigen vrijheid.

Geleid door de woorden van de heer Öcalan: „De heiligheid van het leven is essentieel. Slavernij moet worden afgeschaft. Een volk waarvan de vrouwen niet vrij zijn, kan niet vrij zijn. De volledig bevrijde vrouw belichaamt het goddelijke“, stelden vrouwen de strijd voor vrijheid centraal in hun beweging.

Vrouwen sloten zich aan bij de gewapende strijd

Dit paradigma begon begin jaren negentig concreet vorm te krijgen. De eerste militaire eenheid voor vrouwen, opgericht in 1993, werd niet alleen een symbool van de Koerdische vrijheidsstrijd, maar ook van verzet tegen patriarchale tradities. In weerwil van beweringen dat „vrouwen niet kunnen overleven in de bergen“ of „dat ze daar niet thuishoren“, namen vrouwelijke guerrillastrijders de wapens op en bouwden ze, van Besta tot Cûdî en van Qendîl tot Avaşîn, zowel kameraadschap als een nieuwe levensethiek op in de bergen van Koerdistan. Door hun eigen autonome structuren te organiseren, breidden ze het concept van zelfverdediging ook uit van de militaire sfeer naar het sociale leven.

Vrouwen die in de voetsporen van Zîlan traden

De zelfopofferende daad van martelares Zîlan (Zeynep Kınacı) in Dersim in 1996 werd een bepalend moment voor de strijd van de vrouwen. Met andere woorden: de daad van Zîlan, door de heer Öcalan omschreven als „ons levensmanifest”, legde de basis voor het „Jin, Jiyan, Azadî“-paradigma (Vrouw, Leven, Vrijheid), dat later wereldwijd weerklank vond. In de jaren die volgden, traden duizenden vrouwen in de voetsporen van Zîlan, werden ‘Zîlan-achtig’ en breidden de strijd uit naar alle geledingen van de samenleving.

Stappen naar de participatie van vrouwen in alle geledingen

In het begin van de jaren 2000 kwam de strijd in een nieuwe fase terecht. De basis werd gelegd voor vrouwenacademies, volksvergaderingen en autonome structuren. De oprichting van de Hoge Vrouwengemeenschap (Koma Jinên Bilind, YJA) in 2005 betekende een stap in de richting van politiek en sociaal zelfbestuur voor vrouwen. In dezelfde periode werden de Vrouwenvrijheidscampagnes gelanceerd met als doel ervoor te zorgen dat vrouwen een stem kregen in alle aspecten van het leven, van dorpen tot steden en van huizen tot de straat.

Overgang naar het co-voorzitterssysteem

Een van de belangrijkste keerpunten op politiek gebied was de invoering van het co-voorzitterssysteem. Dit werd voor het eerst in de praktijk gebracht binnen de Partij voor de Democratische Samenleving (DTP) in 2005–2006. De eerste co-voorzitters van de partij waren Aysel Tuğluk en Ahmet Türk. De benoeming van Tuğluk betekende een belangrijke stap in de richting van de formele erkenning, institutionalisering en versterking van de politieke vertegenwoordiging van Koerdische vrouwen.

Het systeem werd later voortgezet binnen de Partij voor Vrede en Democratie (BDP) en kreeg een bredere wettelijke basis door wetswijzigingen die in 2013 werden doorgevoerd.

Democratisch, ecologisch en op vrouwenemancipatie gericht bestuur

In zijn analyses heeft de heer Öcalan steeds benadrukt dat de democratische strijd afhangt van het organiseren, uitbreiden en transformeren van lokale gemeenschappen. Vrouwen hebben die verantwoordelijkheid op zich genomen door zelfs in de kleinste lokale context het voortouw te nemen en de drijvende kracht achter deze strijd te worden.

In deze context betekende de invoering van het co-voorzitterssysteem na de gemeenteraadsverkiezingen van 2014 een belangrijk keerpunt, waarmee werd aangetoond hoe vrouwen steden kunnen besturen, openbare middelen kunnen beheren en betere openbare diensten kunnen verlenen. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2014, waaraan werd deelgenomen onder de vlag van de Partij voor Vrede en Democratie (BDP) en de Partij voor Democratische Regio’s (DBP), werd het co-voorzittersmodel toegepast in 96 van de 102 gemeenten die door de partijen werden gewonnen. Gelijke vertegenwoordiging werd op elk niveau ingevoerd, van gemeenteraden tot afdelingsdirecties.

In grootstedelijke gemeenten en provinciale besturen zoals Diyarbakır (Amed), Van (Wan) en Mardin (Mêrdin) gaven vrouwelijke medeburgemeesters leiding aan de oprichting van vrouwenopvangcentra, vrouwencoöperaties, cursussen Koerdisch, culturele centra en economische initiatieven. Meer in het algemeen had het model tot doel het gemeentelijk bestuur verder te brengen dan de traditionele focus op wegen, water- en rioleringsdiensten, en het om te vormen tot een democratisch, ecologisch en op vrouwenemancipatie gericht systeem van lokaal bestuur.

De Turkse staat richtte zich op vooraanstaande vrouwen

Terwijl vrouwen in elke straat, stad en regio verzet tot uiting brachten, richtte de Turkse staat zich op vooraanstaande vrouwen in een poging dat verzet te breken. Dit was een bewust beleid, aangezien de vrouwenemancipatie zowel de patriarchale structuren als de koloniale mentaliteit in hun kern aanvocht. Vrouwelijke guerrillastrijders werden vermoord en hun lichamen werden in het openbaar tentoongesteld, terwijl vrouwelijke politici het doelwit werden van moordaanslagen of directe aanvallen.

Een van de duidelijkste voorbeelden deed zich voor op 9 januari 2013, kort na de eerste bijeenkomsten in het kader van het vredesproces, toen Sakine Cansız (Sara), Fidan Doğan en Leyla Şaylemez werden vermoord in het Koerdisch Informatiebureau in Parijs. De aanslag op Sara, een van de leidende figuren in de Koerdische vrijheidsstrijd van vrouwen, was bedoeld om de ideologische en organisatorische ruggengraat van de beweging te treffen.

Ditzelfde beleid werd voortgezet tijdens het verzet voor zelfbestuur dat in 2015–2016 werd uitgeroepen. Op 4 januari 2016 werden Sevê Demir, medevoorzitter van de Volksvergadering van de DBP in Silopi, Pakize Nayır en Fatma Uyar in Silopi gedood door geweervuur vanuit gepantserde voertuigen.

Het aanvallen van vrouwelijke politici in hun eigen huis of in de openbare ruimte was een poging om collectieve angst te zaaien en de politieke wil te breken. In dezelfde periode werden ook de mishandeling en de openbare tentoonstelling van de lichamen van vrouwelijke guerrillastrijders systematisch. De lichamen van vrouwelijke strijders werden in het openbaar tentoongesteld en vernederende beelden werden via de media verspreid. Deze aanvallen waren ook bedoeld om de strijd van vrouwen voor vrijheid te bestraffen.

De Turkse staat voerde zijn campagne tegen de politieke verworvenheden van Koerdische vrouwen op. In 2016 stelde hij eerst staatsbeheerders aan in meer dan 90 gemeenten, zette hij gekozen besturen af, arresteerde hij medeburgemeesters, sloot hij alle vrouweninstellingen en probeerde hij vrouwen uit alle geledingen van het openbare leven te wissen.

Vrije vrouwen, vrij leven

De vrouwen gaven hun strijd echter niet op. Vandaag de dag blijft de Koerdische vrouwenbeweging in Noord-Koerdistan institutioneel en ideologisch groeien, ondanks onderdrukking, moorden, bloedbaden en het publiekelijk tentoonstellen van de lichamen van vrouwelijke strijders.

Binnen de Volkspartij voor Gelijkheid en Democratie (DEM-partij) blijven de vrouwenstructuren gelijke vertegenwoordiging op elk niveau waarborgen, van het systeem van medevoorzitters tot de lokale vergaderingen. Honderden coöperaties, werkplaatsen en onderwijscentra die door vrouwen zijn opgericht, leggen de basis voor economische en culturele autonomie. Met name het paradigma „Vrije vrouwen, vrije samenleving”, dat onder jonge vrouwen voet aan de grond heeft gekregen, blijft zowel individuele als collectieve transformatie bevorderen.

Deze strijd is niet zonder slag of stoot gewonnen. Duizenden vrouwen werden gevangengezet, gemarteld, vermoord of gedwongen in ballingschap te gaan. Toch leidde elk verlies tot een hernieuwd ontwaken, elke aanval tot nieuwe organisatievormen en elke daad van onderdrukking tot een sterkere collectieve wil.

De ervaring die in Noord-Koerdistan is opgedaan, blijft de andere delen van Koerdistan inspireren en versterkt de solidariteit onder Koerdische vrouwen in alle vier de regio’s.

Auteur: Gurbet Sarya

Gerelateerde Artikelen