Gedurende haar meer dan een eeuw lange geschiedenis is de Koerdische kwestie nooit louter een lokale of nationale aangelegenheid geweest. Elk belangrijk regionaal keerpunt heeft haar opnieuw gedefinieerd. Op verschillende momenten werd zij gezien als een veiligheidsdreiging, een bondgenoot, een onderhandelingsmiddel of het verborgen middelpunt van een veranderende regionale orde.
Het Akkoord van Algiers uit 1975 blijft een van de duidelijkste voorbeelden van dit historische patroon. Hoewel in het akkoord dat tussen Iran en Irak werd ondertekend geen melding werd gemaakt van de Koerden, waren de gevolgen ervan het sterkst voelbaar in Zuid-Koerdistan (Başur). De sjah van Iran en Saddam Hoessein zaten aan de onderhandelingstafel, terwijl Washington, en de realpolitik van Henry Kissinger, achter de schermen de gebeurtenissen bepaalden. Door beide partijen te verplichten zich te onthouden van inmenging in elkaars binnenlandse aangelegenheden, maakte het akkoord de weg vrij voor Iran om zijn steun aan de beweging onder leiding van mullah Mustafa Barzani in te trekken. De Koerden kwamen niet voor in de tekst, maar droegen wel de zwaarste gevolgen ervan.
Om die reden doet het reduceren van 1975 tot de uitspraak „de Koerden werden verraden“ geen recht aan de volledige historische betekenis ervan. Verraad verklaart de morele dimensie van wat er gebeurde, maar de politieke realiteit was veel complexer. De nederlaag van 1975 brak de weerstandswil van het Koerdische volk niet. Het was de beweging onder leiding van mullah Mustafa Barzani die een historische tegenslag leed. Tegelijkertijd legde deze episode de structurele beperkingen bloot van een strijd die voornamelijk was gebaseerd op de steun van regionale machten.
De bevindingen van de Pike-commissie, die in 1976 door het Huis van Afgevaardigden van de Verenigde Staten was ingesteld om de geheime operaties van de Central Intelligence Agency (CIA) in het buitenland te onderzoeken, brachten de strategische afwegingen achter de overeenkomst nog duidelijker aan het licht. De commissie concludeerde dat Washington de Koerden niet zag als een volk wiens vrijheid steun verdiende, maar als een geopolitiek instrument om druk uit te oefenen op Irak. Hoewel Amerikaanse functionarissen wisten dat de Koerdische beweging zou instorten zodra Iran zijn steun zou intrekken, werd de Koerdische leiding nooit van tevoren op de hoogte gebracht van de beleidswijziging. De latere opmerking van Henry Kissinger, „Geheime operaties mogen niet worden verward met missionariswerk”, is sindsdien een van de duidelijkste uitingen van dat beleid geworden. Destijds was zijn strategie voor het Midden-Oosten gericht op de veiligheid van Israël, het inperken van de Sovjetinvloed en het versterken van de regionale rol van Iran. Binnen die bredere strategische afweging werd de Koerdische beweging niet behandeld als een onafhankelijke politieke speler, maar als één variabele in een veel grotere geopolitieke vergelijking.
De geschiedenis hield daar echter niet op.
Misschien is dit wel het kenmerkende aspect van de Koerdische geschiedenis: geen enkele grote nederlaag is er ooit in geslaagd de Koerden volledig uit de strijd te verdrijven. De gebeurtenissen van 1975 betekenden niet alleen een ingrijpende breuk, maar ook het begin van een nieuwe politieke zoektocht. In de nasleep van die nederlaag richtte Jalal Talabani de Patriottische Unie van Koerdistan (PUK) op, terwijl drie jaar later de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) haar oprichtingscongres hield, waarmee een nieuw hoofdstuk in de Koerdische politiek werd geopend. Hoewel de twee bewegingen verschillende politieke wegen volgden, kwamen ze beide voort uit de historische afrekening en de hernieuwde zoektocht die volgden op 1975. Misschien is er geen metafoor die de Koerdische geschiedenis beter weergeeft dan de Feniks (Tr: Zümrüdü Anka). Het is een geschiedenis die wordt gekenmerkt door het vermogen om na elke grote ramp weer uit de as te herrijzen. In die zin moet 1975 niet louter als een einde worden gezien, maar als het begin van een nieuw historisch tijdperk.
Vandaag de dag staat de regio opnieuw op een historisch kruispunt. Toch duiken veel van dezelfde vragen weer op.
Een nadere beschouwing van de recente initiatieven van Turkije ten aanzien van Irak, Syrië, de Europese Unie en de NAVO wijst erop dat de Koerdische kwestie niet langer uitsluitend vanuit het perspectief van de binnenlandse veiligheid wordt bekeken. Bagdad, Hewlêr (Erbil), Sulaymaniyah en Kirkuk komen steeds meer naar voren als onderling verbonden punten binnen één strategische kaart. Veiligheid, energie, handel, transport, de defensie-industrie, migratie en diplomatie worden niet langer behandeld als afzonderlijke beleidsterreinen, maar als onderling afhankelijke onderdelen van een bredere regionale architectuur.
Dit veranderende beeld wijst erop dat Turkije ernaar streeft een meerlagige strategie ten aanzien van de Koerdische vrijheidsbeweging op te bouwen, een strategie die veel verder reikt dan militaire middelen en ook diplomatie, economie, juridische maatregelen, inlichtingensamenwerking en regionale veiligheidsmechanismen omvat. Hoewel de huidige omstandigheden niet identiek zijn aan die van 1975, vertonen ze niettemin belangrijke overeenkomsten met de geopolitieke herschikking die op die periode volgde.
De NAVO-top die op 7 en 8 juli in Turkije wordt gehouden, is in dit verband van bijzonder groot belang. Turkije positioneert zich niet louter als NAVO-bondgenoot aan de zuidflank van het bondgenootschap, maar ook als onmisbare speler in de Euro-Atlantische veiligheidsarchitectuur door zijn rol in de Zwarte Zee, de Irak-Syrië-corridor, migratiebeheer, energiezekerheid en de defensie-industrie. Dezelfde geopolitieke logica bepaalt in toenemende mate de relatie van Ankara met de Europese Unie.
Het meest opvallende kenmerk van dit zich aftekenende landschap is dat de Koerdische kwestie zelden expliciet wordt genoemd, terwijl deze toch centraal staat in vrijwel elke belangrijke strategische discussie.
In 1975 was de Koerdische kwestie het onuitgesproken gevolg van de toenadering tussen Iran en Irak. Tegenwoordig is deze uitgegroeid tot een van de onzichtbare brandpunten van de nieuwe geopolitieke architectuur die Turkije tracht op te bouwen langs de as Irak-Syrië-Europese Unie-NAVO.
De twee periodes zijn natuurlijk niet identiek. De geschiedenis herhaalt zich niet. Toch volgen momenten van ingrijpende geopolitieke herschikkingen vaak een vergelijkbare strategische logica. De parallel ligt niet in identieke uitkomsten, maar in herhaalde pogingen om de Koerdische kwestie van buitenaf opnieuw te definiëren.
Misschien is de grootste fout die we vandaag de dag maken wel dat we politieke ontwikkelingen uitsluitend interpreteren aan de hand van de publieke verklaringen van politieke actoren. Staten maken hun intenties zelden openlijk bekend. Hun strategische prioriteiten komen juist tot uiting via stapsgewijze maatregelen, nieuw gesmeed partnerschappen, diplomatieke betrokkenheid, veiligheidsdoctrines en institutionele regelingen. Een gedegen politieke analyse berust daarom niet op speculaties over intenties, maar op het herkennen van strategische signalen die in de loop van de tijd een samenhangend patroon vormen.
Wanneer de recente diplomatieke en veiligheidsontwikkelingen – van Irak en Syrië tot de NAVO en de Europese Unie – in hun geheel worden bekeken, levert geen enkele gebeurtenis op zichzelf definitief bewijs voor een bredere transformatie. Gezamenlijk versterken deze ontwikkelingen echter de indruk dat de Koerdische kwestie opnieuw wordt gedefinieerd binnen een nieuwe regionale veiligheidsarchitectuur. In plaats van overhaaste conclusies te trekken of uitsluitend op officiële verklaringen te vertrouwen, is het zinvoller om deze strategische signalen nauwlettend te volgen, ze te bekijken in het licht van historische ervaringen en hun mogelijke koers met zorgvuldig oordeel te beoordelen. De geschiedenis leert ons dat belangrijke keerpunten zelden voortkomen uit één enkele dramatische gebeurtenis; vaker zijn ze het cumulatieve resultaat van schijnbaar kleine strategische verschuivingen waarvan de betekenis pas achteraf duidelijk wordt.
De centrale vraag is daarom:
Zullen de Koerden opnieuw een plaats toegewezen krijgen binnen door anderen ontworpen veiligheidsarchitecturen, als een „nuttige partner“, een bron van „stabiliteit“ of een actor die in toom moet worden gehouden? Of zullen zij hun eigen politieke toekomst vormgeven op basis van hun eigen historische ervaringen?
Na meer dan een eeuw van strijd hoeft het Koerdische volk zijn legitimiteit niet langer te bewijzen aan de staten, allianties of internationale machten waarmee het te maken heeft. Die eeuwenlange strijd heeft het Koerdische volk al tot een onmiskenbare historische realiteit gemaakt. De uitdaging ligt nu niet langer in het verwerven van een plaats binnen de geopolitieke afwegingen van anderen, maar in het uitstippelen van een eigen koers op basis van zijn eigen maatschappelijke kracht en historisch handelingsvermogen.
Auteur: Hüseyin Salih Durmuş